Samenvatting

Samenvatting

Bij een scriptie hoort een samenvatting die zowel compact als compleet is. Best een lastige klus! Er zijn zes onderdelen die in elke samenvatting thuishoren. Die lichten wij graag voor je toe.

  1. Waarom het onderzoek heeft plaatsgevonden

Om een samenvatting zelfstandig leesbaar te laten zijn, heb je meestal wel drie zinnen nodig om uit te leggen waarom het onderzoek heeft plaatsgevonden. Dus wat de aanleiding is van het onderzoek.

Tip: De naam van een organisatie maakt niet altijd duidelijk wat de organisatie doet. Het is handig om dat direct in de eerste alinea te vermelden.

  1. Wat er is onderzocht

Het allerbelangrijkste van je samenvatting is dat je de hoofdvraag benoemt en beantwoordt. Wanneer je de hoofdvraag in de samenvatting uitschrijft, zorgt dat voor veel duidelijkheid bij de lezer. Wat doe je met de deelvragen bij de samenvatting? Aan de ene kant zorgt het noemen en beantwoorden van de deelvragen voor een volledig beeld. Aan de andere kant heb je daar meestal niet de ruimte voor.

  1. Hoe het onderzoek is uitgevoerd

De meeste hbo-onderzoeken bestaan uit een literatuuronderzoek en een praktijkonderzoek. In de samenvatting kun je die tweedeling goed gebruiken.

In de literatuur is gezocht naar effectieve behandelmethoden voor schizofrene jongeren.  Uit de literatuur komt naar voren dat…

Je ziet hierboven dat in de eerste zin is verwerkt welke deelvraag in de literatuur is beantwoord. Door direct te vertellen wat het antwoord is op die vraag (zin 2) bespaar je veel ruimte.

Een zelfde soort combinatie kun je maken voor het praktijkonderzoek.

Door middel van semi-gestructureerde interviews met vijftien productiemedewerkers is onderzocht hoe zij de relatie met hun leidinggevende ervaren.

Je kunt in één zin vermelden wat je hebt onderzocht bij welke doelgroep en met welke onderzoeksmethode.

De samenvatting is niet de plaats om te verdedigen welke onderzoeksmethodes je hebt gekozen om te gebruiken. Wel wil je de lezer een beeld geven van de omvang van je onderzoek. Als je een enquête hebt gedaan wil je bijvoorbeeld graag toelichten hoe hoog je respons is.

  1. Wat de resultaten zijn

Het verschil tussen resultaten en conclusies kan soms als je een samenvatting schrijft erg klein worden. Je kunt dan het idee hebben dat je veel herhaalt. In sommige onderzoeken lijken de resultaten zo op de conclusies dat je die twee maar beter kunt combineren. Bij andere onderzoeken is er een wat duidelijker onderscheid en kun je bij het beschrijven van de resultaten gewoon voor elke deelvraag twee zinnen opschrijven. Daarom is de volgende tip ook zo belangrijk:

Tip: Focus je bij de eerste versie niet te veel op de omvang. Het is vaak makkelijker en sneller wanneer je jezelf toestaat om een wat langere samenvatting te maken en die daarna in te korten.

  1. Welke conclusies kunnen worden getrokken

Als het goed is heb je in het conclusiehoofdstuk kernachtig antwoord gegeven op de hoofdvraag van je onderzoek. Het makkelijkste is om die tekst te kopiëren naar de samenvatting. Als je alle onderdelen van je samenvatting hebt staan, kun je vervolgens kijken of de conclusie die je in de samenvatting hebt gekopieerd nog verder ingekort kan worden.

  1. Wat de aanbevelingen zijn

Voor de lezer die zich beperkt tot de samenvatting is het niet altijd helder waar bepaalde aanbevelingen vandaan komen. Zorg ervoor dat het voor de lezer duidelijk is wat de relatie is met de conclusies.

Tip: Nadat je maanden bezig bent geweest met je scriptie is het soms lastig om afstand te nemen. Vraag daarom een vriend of vriendin om de samenvatting nog even voor je na te lezen.

Voorwoord

Hoe schrijf je een voorwoord?

Net als de samenvatting is het voorwoord een soort visitekaartje van de scriptie.

Het voorwoord heeft twee doelen:

  1. Interesse wekken door de lezer wat te vertellen over waarom jij dit onderzoek hebt gedaan.
  2. Degene die hebben meegewerkt aan je onderzoek bedanken.

Don’ts voor een voorwoord

  • Een lang verhaal schrijven over hoe vreselijk moeilijk je je scriptie vond. De beoordelaar gaat dan de scriptie lezen met het idee: dat zal wel niet zo’n goede scriptie zijn. Ook naar je (toekomstige) werkgever maakt dit geen goede indruk.
  • Klagen over hoe slecht je bent begeleid tijdens de scriptie. Het is natuurlijk heel vervelend als dit is gebeurd. Maar aan de andere kant steken veel scriptiebegeleiders en beoordelaars extra tijd in jou als student als het scriptietraject om wat voor reden dan ook niet goed verloopt. Niet leuk voor hen om dan nog een keer terug te lezen hoe jij van ze baalt.

Opbouw van een voorwoord

  1. Je maakt in een of twee zinnen duidelijk waar jouw onderzoek over gaat. Je hoeft hier niet de doestelling en de hoofdvraag helemaal uit te schrijven en je onderzoeksresultaten te bespreken. Probeer kort en krachtig (twee zinnen) te beschrijven wat jij hebt onderzocht.
  2. Vertel iets meer over waarom jij dit onderzoek wilde doen. Je kunt je bijvoorbeeld erg betrokken voelen bij de cliënten waar het onderzoek over gaat. Of je vindt het onderwerp erg interessant. Misschien heb je wel ambitie om na je studie verder te gaan met het onderwerp in je baan of je eigen bedrijf.
  3. Bedankt degene die mee hebben gewerkt aan het onderzoek. Bedank in ieder geval de opdrachtgever van je onderzoek, de respondenten en de begeleider(s) van de opleiding. Soms wil je ook nog iemand uit je familie- of vriendenkring bedanken. Dat is zeker niet verplicht. Als dat voor jou overdreven voelt doe het dan niet. Heeft je partner een paar maandenlang veel meer voor de kinderen gezorgd omdat jij je scriptie wilde schrijven? Dan is een bedankje natuurlijk wel op zijn plaats.
  4. Sluit af met je voor- en achternaam en op een nieuwe regel de plaats en de datum.

Aanleiding

De aanleiding van je hbo-scriptie: hoe zorg je voor een goed begin?

Natuurlijk weet jij waarom je onderzoek doet. Het onderwerp is interessant. De organisatie is enthousiast. En zo niet: met dit onderzoek haal jij je hbo-diploma. Dat is duidelijk.

Alleen dat begin…

Dat je bezig bent met het (her)schrijven van de inleiding en denkt: alle informatie staat er wel in, maar ‘het loopt nog niet lekker’. Vooral die eerste pagina, de aanleiding van je onderzoek. Herkenbaar? Graag geven je in deze blog wat aanwijzingen voor het schrijven van de aanleiding.

Het grotere plaatje

Het eerste hoofdstuk van de scriptie is de inleiding. Die begint met de aanleiding van het onderzoek en eindigt met je hoofd- en deelvragen. De eerste paragraaf, de aanleiding, vormt dus het startpunt van die route.

In de aanleiding geef je antwoord op de vraag: waarom is het belangrijk dat er hier nu onderzoek naar gedaan wordt?

Helaas wordt de aanleiding wel eens vergeten of een beetje ‘weggemoffeld’, omdat het soms lastig is er precies de vinger op te leggen. De moeilijkheid bij de aanleiding kan zijn dat je deze niet zelf gevonden of ontdekt hebt. Als student ga je stage lopen, je krijgt een opdracht en daar gaat je scriptie over. Hoe bepaal je dan wat de aanleiding is van je onderzoek? In dit geval betekent aanleiding; de reden dat het onderzoek nodig en relevant is. Waarom dit onderzoek? En waarom nu?

Vaak ontstaat de aanleiding vanuit een probleem, een wens of een gebeurtenis. De aanleiding is de reden dat jij de opdracht tot onderzoek krijgt. Het is dus handig om na te vragen bij je opdrachtgever wat volgens hen de aanleiding is van het onderzoek. Je kunt ook zelf de aanleiding aandragen, bijv. als je interesse hebt in een bepaald onderwerp of een probleem of een gat in de markt hebt ontdekt.

Alternatief kan het ook zijn dat er een maatregel of programma geïmplementeerd is, waarvan de opdrachtgever graag wil weten of het effect heeft gehad. Daarnaast kunnen er gebeurtenissen zijn, zoals politieke verkiezingen of economische problemen, die een trigger zijn voor allerlei soorten onderzoek.

De aanleiding zou in principe één zin kunnen zijn. Uiteraard heeft het wel meer achtergrond en toelichting nodig. Zorg dat je in elk geval de volgende elementen behandelt: Waarom is het belangrijk dat er hier nu onderzoek naar gedaan wordt?

Belangrijk

Je onderzoek is om een aantal redenen belangrijk:

-het levert een bijdrage aan een maatschappelijk probleem

-het vergroot de wetenschappelijke kennis op jouw vakgebied

-het levert de opdrachtgever informatie op waarmee hij de organisatie beter kan laten functioneren

In veel hbo-scripties moet je daarom in een apart tussenkopje ‘de relevantie van het onderzoek’ duidelijk maken. Heb je in de aanleiding al scherp neergezet waarom jouw onderzoek belangrijk is, dan kun je dat bij ‘relevantie van het onderzoek’ gemakkelijk uitwerken.

Nu

Je aanleiding wordt een stuk leuker en leesbaarder als je de relatie kunt leggen tussen jouw onderzoek en de actualiteit. Je kunt bijvoorbeeld starten met een opvallende bevinding uit recente literatuur. Of een bericht uit de krant gebruiken. Minder pakkend, maar ook goed, is het noemen van een wetswijziging. Kun je niets actueels vinden? Draai het dan om en laat zien dat iets al jaren een groot probleem is. Ook dat roept bij de lezer het gevoel op: het is goed dat daar nu wat aan gedaan wordt.

Onderzoek

Om de brug te maken naar je hoofd- en deelvragen aan het einde van het hoofdstuk moet je niet alleen aangeven dat er nu een belangrijk probleem moet worden opgelost, maar ook dat onderzoek nodig is om dat probleem op te lossen. Je bent snel klaar als je schrijft: “er is weinig onderzoek naar gedaan, dus dat ga ik doen.” Dat kan zo zijn, maar bij een scriptie moet je altijd zaken onderbouwen…

Tip 1:

Je aanleiding wordt nog sterker als je naar bronnen verwijst die aangeven dat op jouw onderzoeksgebied nog weinig onderzoek is gedaan of dat bepaalde zaken nog onduidelijk of tegenstrijdig zijn.

Tip 2:

Ook vanuit de opdrachtgever kun je betogen dat onderzoek nodig is. Vaak signaleert de opdrachtgever wel een probleem, maar weet hij niet (zeker) wat de oorzaak ervan is en hoe het opgelost kan worden.

Tip 3 (tot slot: van groot naar klein)

Het makkelijkste is om in je aanleiding van groot naar klein te werken. Je start bijvoorbeeld op het niveau van de maatschappij. Daarna ga je in op de specifieke literatuur en je sluit af met de organisatie. Dat laatste is extra handig, want dan heb je gelijk een mooi bruggetje naar de volgende paragraaf waarin je het probleem van de organisatie uit gaat diepen.

Een voorbeeld

Stel je voor dat je bij een welzijnsorganisatie onderzoek doet naar de begeleiding van licht verstandelijk beperkte cliënten met schuldenproblematiek. Hoe zou je dan je aanleiding kunnen beginnen? Een kort voorbeeld.

Sinds de invoering van de vernieuwde Wmo op 1 januari 2015 zijn gemeentes verantwoordelijk geworden voor de schuldhulpverlening aan alle inwoners (Rijksoverheid, 2014). Onderzoeken van Divosa (2017) en het Nibud (2017) laten zien dat het aantal huishoudens met problematische schulden is toegenomen sinds de gemeenten verantwoordelijk zijn voor de schuldhulpverlening. Uit onderzoek van Westhof, De Ruig en Kerckhaert (2015) blijkt dat kwetsbare groepen in de maatschappij, waaronder licht verstandelijk beperkten en mensen met psychische problemen, vier keer zo vaak in de schulden terecht komen. Ook organisatie Welzijn+ ziet het aantal cliënten met schuldenproblematiek toenemen. Uit gesprekken met medewerkers komt naar voren dat zij niet altijd goed weten hoe zij deze cliënten kunnen ondersteunen. Wel merken medewerkers dat cliënten veel stress ervaren en regelmatig hun geldzorgen met hen willen bespreken. Welzijn+ wil ervoor zorgen dat cliënten op alle leefgebieden volwaardig deel kunnen nemen aan de maatschappij. Om cliënten adequaat te kunnen ondersteunen wil de organisatie onderzoek daarom onderzoek laten doen naar de wijze waarop zij cliënten met (dreigende) schuldenproblematiek beter kan begeleiden.

Probleemanalyse

Probleemanalyse

Je kent het wel; je maakt ruzie met je vriendin/vriend/ouders en op een gegeven moment roept één van jullie: “Wat is nou eigenlijk het probleem?” Ook in je scriptie is deze vraag van cruciaal belang. Pas als het probleemgebied en de mogelijkheden helder zijn, kun je met een accuraat en passend onderzoeksvoorstel komen. Het scherp krijgen van je aanleiding is een goede eerste stap (zie aanleiding); een probleemanalyse maken is hier de voortzetting van. Het herkennen van het probleem en het maken van een goede probleemanalyse is nog niet zo makkelijk, maar met onderstaande tips en uitleg helpen wij je op weg.

De basis

Bij het maken van een probleemanalyse moet je in elk geval 3 dingen doen:

– praten met je opdrachtgever over hun visie op het onderwerp

– bronnen raadplegen; relevante informatie lezen en meerdere mensen uit het bedrijf spreken

– literatuur zoeken om je concepten te onderbouwen en te verklaren

I got 99 problems…

Zo simpel is het in de praktijk natuurlijk niet. Ten eerste zijn er vaak meerdere problemen tegelijk of liggen er andere problemen ten grondslag aan een ‘hoofd’ probleem. Een voorbeeld: De NS merkt dat er op bepaalde trajecten veel agressie voorkomt in de trein en wil dit terugdringen. Dan zijn er natuurlijk meerdere oorzaken van agressie te bedenken en aan te pakken. Hierdoor zijn er ook meerdere potentiele onderzoeken mogelijk. Je zal goed moeten nadenken over de kern van het probleem en overleg moeten plegen met de opdrachtgever. Zij hebben vaak een bepaalde focus. Stel dat je ontdekt dat mensen agressief worden, als er geen toezicht (conducteur) is. Dan kun je gaan onderzoeken hoeveel nieuwe conducteurs er mogelijk zijn. Als de NS echter aangeeft daar geen geld voor te hebben, heeft het weinig zin om dit te onderzoeken. Zij willen bijvoorbeeld liever dat je je gaat richten op een ander aspect, zoals de inrichting van de coupé of het aanspreken van de reiziger.

Je kunt niet de hele wereld redden

Bovenstaand voorbeeld geeft gelijk een andere moeilijkheid weer van de probleemanalyse, namelijk dat je vaak beperkt bent in hoeveel je kunt bijdragen: een onderzoek of bepaalde hoofdvraag kan het probleem verminderen of deels oplossen, maar kan niet het hele probleem doen verdwijnen. Hoeft dus ook niet!

Analyse vs. onderzoek

Er bestaat een spanningsveld tussen hoe diepgaand een probleemanalyse kan zijn en hoe diepgaand het volgens de feedback van je begeleider zou moeten zijn. Je voert de probleemanalyse vaak uit vóór het daadwerkelijke onderzoek, maar ontkomt er niet aan om in termen van (mogelijke) oorzaken en gevolgen te spreken. Echter mag je nog geen verklaringen geven, want het is nog niet onderzocht. Dit is een lastige spagaat. Deze is deels te ondervangen door helder te zijn over wat je wel zeker weet en wat nog niet. De 6 W’s (zie hieronder) kunnen je daarbij helpen.

Wie, wat, waar, wanneer, waarom?

Er zijn een aantal vragen die je kunnen helpen bij het maken van de probleemanalyse, de zogenoemde W-vragen (Verhoeven, 2007). Deze vragen zijn een leidraad, maar niet zaligmakend. Niet alle vragen zijn even relevant voor jouw probleem. Ook horen vragen soms bij elkaar of kan de volgorde beter anders. Onze toelichting helpt je om de vragen effectief in te zetten.

De W-vraag De toelichting
1.     Wat is het probleem? Iets is een probleem als de gewenste situatie afwijkt van de bestaande situatie. Een bedrijf wil meer geld of meer klanten, maar heeft dat nog niet. Een therapeut heeft een nieuwe therapie ontwikkeld, maar weet nog niet of deze effectief is.

 

2.     Wie heeft het probleem / voor wie is het een probleem? Er is minstens één betrokkene bij het probleem, maar vaak meer. Om aannemelijk te maken dat iets een probleem is voor iemand, moet gekeken worden naar de gevolgen voor diegene of die partij. Deze vragen (zie punt 3) hangen dus samen.
3.     Waarom is het een probleem? Wat zijn de gevolgen van het probleem?

 

Met deze eerste drie vragen krijg je voor het grootste deel inzicht in het probleem en het belang ervan. Met de volgende vragen ga je het probleem inkaderen/ afbakenen.
4.     Wanneer is het een probleem? Deze vraag is niet altijd noodzakelijk bij het vaststellen van het probleem, maar wel bij de afbakening van je onderzoek. Waar en wanneer doet het probleem zich vooral voor? (en dus: waar kun jij op inspelen?)
5.     Waar doet het probleem zich voor? Ook deze vraag moet je niet té letterlijk nemen en is niet altijd relevant. In het geval van de agressie in de trein bij de NS kun je bijv. kijken naar bepaalde trajecten waar meer agressie voorkomt dan andere. Dit is relevante informatie. Bij een probleem in een bedrijf kun je bijv. denken aan verschillende afdelingen, of geografische locaties.
6.     Wat is de aanleiding van het probleem (hoe is het ontstaan)?

 

Oorzaak-gevolg relaties. Wat is er evt. al aan gedaan om het probleem op te lossen? Waarom lukt dat wel/niet?

Als de vragen beantwoord zijn, kun je concluderen dat er onderzoek gedaan moet worden om eea nog beter te achterhalen. Gebruik de vragen als inspiratie, wees flexibel met de volgorde van opschrijven en vul aan met bronnen. Een goede zet is om de vragen voor te leggen aan je opdrachtgever en door te zoeken naar bronnen en informatie.

Vooronderzoek en bronnen

Het ontdekken van het probleem en inbedden in de context, kan gedaan worden aan de hand van vooronderzoek. Soms is het vooronderzoek een apart onderdeel, vaker is het een manier om je probleemanalyse te maken (kijk goed naar de eisen van je opleiding). Dit vooronderzoek bestaat vaak uit het analyseren van bestaande informatie of het bevragen van mensen over het probleem. Je kan hiervoor gebruik maken van desk research, literatuuronderzoek en persoonlijke communicatie. In het voorbeeld van de NS ging het over agressie in de trein. Je kunt dan gegevens opvragen van het aantal geregistreerde incidenten in een bepaalde periode (desk research). Ook kun je kijken wat eigenlijk de definitie is van agressie (literatuuronderzoek). Daarnaast is het belangrijk, zoals eerder genoemd, om goed met je opdrachtgever te praten (persoonlijke communicatie). Al deze bronnen kun je gebruiken om de beweringen te staven die je doet in de probleemanalyse.

Een voorbeeld:

Probleemanalyse 1.

Agressie in de trein komt steeds vaker voor. Het aantal incidenten bij de NS is in het tweede kwartaal van 2008 met 15 procent toegenomen. Op bepaalde probleemtrajecten is deze stijging nog extremer, zoals van Hoorn naar Alkmaar (280 procent) en van Schiphol naar Zaandam (100 procent).

Het is voor meerdere partijen van belang dat dit probleem aangepakt wordt, namelijk voor de NS, het personeel van de NS en treinreizigers. Ten eerste is het belangrijk voor het personeel en de reizigers dat het veilig is in de trein. Het is aannemelijk dat het personeel van de NS zich, door de toenemende agressie, minder veilig voelt op de werkplek. Ook voor reizigers is het belangrijk zich veilig te voelen; als dit niet het geval is, zullen ze minder vaak met de trein reizen. Voor de NS zelf is het belangrijk dat dit probleem opgelost wordt, zodat ze een positief imago krijgen en behouden.

Eerdere pogingen van de NS om agressie in de trein tegen te gaan waren succesvol; het probleem keerde echter terug toen er minder personeel ingezet werd. Een van de oorzaken is dus het gebrek aan toezicht: Als mensen het gevoel hebben minder in de gaten gehouden te worden zullen ze eerder bepaalde normen en (gedrags)regels overschrijden.

Omdat de toename van agressie vooral plaatsvond tussen april en juni zijn er andere oorzaken mogelijk: Het zou kunnen dat men in de zomer, als het warm is, agressiever is dan in de winter. Ook andere gebeurtenissen in de samenleving kunnen leiden tot meer agressie (zoals het feit dat Ajax dat jaar geen landskampioen werd). Om deze verklaringen uit te sluiten en het patroon van incidenten in kaart te brengen zijn gegevens van de NS nodig betreffende het aantal incidenten (per kwartaal) van de afgelopen jaren. Met hulp van de NS willen we het aantal incidenten op genoemde trajecten verlagen door het gedrag van de reizigers te veranderen.

Een bijbehorende hoofdvraag kan zijn: Welke interventies toegespitst op reizigers zijn effectief om agressie in de trein terug te dringen? Of Hoe kunnen we ervoor zorgen dat er minder agressie plaatsvindt in de trein?

De uiteindelijke conclusie van deze probleemanalyse is een kort en bondig geformuleerde hoofdvraag. Hier lees je meer over in de volgende blog: hoofdvraag.

Tips

  • Wees nieuwsgierig, roep de speurneus in jezelf op en bijt je vast in het onderwerp
  • Denk aan de 6 W’s en gebruik deze creatief (zie toelichting)
  • Onderbouw de probleemanalyse met gegevens en bronnen: lees bijvoorbeeld het jaarverslag van je organisatie, bekijk informatie op websites of in vaktijdschriften, praat met betrokkenen.

Doelstelling

Doelstelling

Nadat je de aanleiding van je onderzoek en de probleemanalyse hebt geformuleerd, moet het doel van het onderzoek duidelijk beschreven worden. Meestal heb je in de aanleiding een praktijkprobleem aangegeven, wat zich afspeelt bij een opdrachtgever. In het doel moet komen te staan wat de opdrachtgever met dit onderzoek wil bereiken.

What to do?

Het doel van het onderzoek moet op logische wijze aansluiten bij de hoofdvraag van je onderzoek, die vaak daarna geformuleerd wordt. De hoofdvraag van het onderzoek is toegespitst op de oplossing van het probleem dat je beschreven hebt in de probleemanalyse. Het doel van het onderzoek heeft vaak de vorm van: meer kennis van probleem x, of meer inzicht in situatie y, zodat … bereikt kan worden.

Om wat voorbeelden te geven:

-Het doel kan zijn dat er meer kennis moet komen over een bepaald onderwerp, omdat in de probleemanalyse geconstateerd is dat die kennis ontbreekt in de organisatie.

-Of het doel is dat er meer inzicht moet komen in hoe een bepaalde manier van werken leidt tot probleemgedrag bij cliënten van de organisatie.

-Of dat er naar wordt gestreefd om tot een meer effectieve vorm van hulpverlening te komen, zodat er meer mensen geholpen kunnen worden.

What not to do

Wat niet de bedoeling is bij het beschrijven van de doelstelling, is dat je hier gaat verwoorden hoe je dit onderzoek aan wilt gaan pakken. Dus niet: het doel van het onderzoek is dat je interviews wilt gaan houden met bepaalde respondenten, en literatuuronderzoek wilt gaan doen over een bepaald onderwerp. Deze zaken dienen in de methodesectie van je scriptie aan de orde te komen.

Omdat de hoofdvraag moet aansluiten op de aanleiding en het doel van het onderzoek, is het ook belangrijk om aan te geven in het doel waar dit onderzoek uiteindelijk toe moet leiden. De hoofdvraag van het onderzoek sluit hier op aan en krijgt dan de formulering: hoe kan situatie y verbeterd worden, of wat is er voor nodig om probleem x op te lossen, zodat (en hier komt de aansluiting bij het doel) … bereikt kan worden.

Een voorbeeld

Doelstelling: Het doel van het onderzoek is om meer inzicht te krijgen in hoe het proces van besluitvorming rondom uithuisplaatsingen geoptimaliseerd kan worden om daarmee de veiligheid van de betrokken kinderen zoveel mogelijk te waarborgen.

Hoofdvraag: Wat is er nodig om binnen de organisatie van de opdrachtgever het proces rondom uithuisplaatsingen te optimaliseren, zodat de veiligheid van de kinderen zoveel mogelijk gewaarborgd wordt?

Hier lees je meer over het formuleren van een goede hoofdvraag

hoofdvraag onderzoeksvraag onderwerp scriptie hbo onderwijsinstelling

Hoofdvraag

Is het echt zo moeilijk om een hoofdvraag te maken?

Je hebt het misschien weleens gehoord of gelezen: het maken van een hoofdvraag is heel moeilijk. Of nog erger. Je begeleider maakt het maken vaan een hoofdvraag onmogelijk doordat hij elke keer een andere kant op wil. Totdat je weer bij de eerste onderzoeksvraag terug bent. En denkt: snap ìk het nu niet of is de begeleider het kwijt?

In deze blog wil ik met je gaan kijken of het maken van een hoofdvraag echt zo moeilijk is.

Daarom ben ik naar www.hbo-kennisbank.nl gegaan en heb ik Nederlandstalige scripties uit 2016 geselecteerd. Vervolgens heb de bovenste scriptie van vijf grotere hbo-instellingen gedownload. Dit waren de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen, de CHE, de Hogeschool Rotterdam, Windesheim en de HvA. Namen van studenten heb ik er niet bij vermeld volgens de APA-richtlijnen. Het is al vervelend genoeg dat je naam en je scriptie voor eeuwig op internet staat.

De vijf hoofdvragen

Hogeschool van Arnhem en Nijmegen

Op welke wijze kan het betrekken van het systeem bijdragen aan een geslaagd ontslag van patiënten op de PAAZ van het Canisius Wilhelmina Ziekenhuis?

CHE

Welke behoefte aan informatie en ondersteuning hebben zwakbegaafde ouders met kinderen van vier tot en met zes jaar oud op het speciaal basisonderwijs met betrekking tot het ochtend- en avondritueel. Hoe kan dit worden vormgegeven in een applicatie passend bij de doelgroep?’

Hogeschool Rotterdam

In hoeverre zal de voorgestelde IFRS richtlijn met betrekking tot lease accounting invloed hebben op beursgenoteerde ondernemingen?

Windesheim

In hoeverre is toepassing van de herziene taxonomie van Bloom bruikbaar voor het verkrijgen van inzichten met betrekking tot het determinerend karakter van geschiedenistoetsen vanwaar er een meer rechtmatige determinatie kan plaatsvinden binnen de brugklas van het Nuborgh College Lambert Franckens te Elburg?”

HvA

Wat zijn bevorderende en belemmerende factoren voor de effectiviteit van de eerstelijns dieetbehandeling van ouderen van 55 jaar en ouder met obesitas?

Wat valt op?

Natuurlijk kun je aan de hand van vijf willekeurige scripties geen keiharde statisch significante conclusies trekken. Maar je kunt er wel wat van leren. Ik ben benieuwd wat jou is opgevallen.

  • Wat is volgens jou de beste hoofdvraag?
  • Welke hoofdvraag lijkt jou het leukst of het makkelijkst om te beantwoorden?
  • Welke tips zou je deze studenten geven als jij hun begeleider zou zijn?

Mij valt het volgende op:

  1. In elke hoofdvraag is een onderzoeksdoelgroep opgenomen. Soms is die heel specifiek (zwakbegaafde ouders met kinderen van 4-6 jaar op het speciaal basisonderwijs). Soms algemeen (beursgenoteerde bedrijven). Als je een hoofdvraag maakt is het bepalen en afbakenen van zo’n groep een makkelijke en goede eerste stap. Hoe concreter hoe beter!
  1. Elke hoofdvraag heeft een of meer theoretische begrippen. Je ziet dat het hier wat lastiger wordt. Is ‘het betrekken van het systeem’ echt een term uit wetenschappelijk onderzoek waar je wat over in de literatuur kan vinden? De vraag over de IFRS richtlijn is bijvoorbeeld al veel duidelijker. Als je een hoofdvraag maakt is het soms even (door)zoeken naar het begrip wat het beste past bij je onderzoek en waar voldoende literatuur over te vinden is.
  1. Er zijn verschillende typen hoofdvragen. Sommigen beginnen met “in hoeverre”, andere met “wat”, of “welke”. Uiteindelijk gaat het er natuurlijk om dat je een goed antwoord kan geven op de hoofdvraag. Het type vraag doet er daarom ook toe. De vraag van de student van de Hogeschool Rotterdam, in hoeverre een richtlijn invloed zal hebben, lijkt lastig te beantwoorden. Je komt dan op een antwoord als ‘hierop waarschijnlijk wel, hierop waarschijnlijk niet’, maar zeker zullen wij het niet weten want het zal (toekomst) nog gaan gebeuren. Ook aan een ‘hoe’ of een ‘op welke wijze’ vraag kleven wat nadelen. Er zijn zoveel hoe’s en zoveel verschillende manieren om iets te doen, dat het mij lastig lijkt om daar goed onderzoek naar te doen.

Makkelijker lijkt het -op basis van deze mini-analyse- dus om met ‘wat’ of ‘welke’ te beginnen. Dan wordt het antwoord wat concreter: “Dit is de informatie- en ondersteuningsbehoefte van de ouders” (CHE) of “deze factoren zorgen ervoor dat de dieetbehandeling effectiever is” (HvA).

Conclusie

Een aantal hoofdvragen op een rij zetten helpt om je eigen hoofdvraag op te stellen. Het bepalen van een onderzoeksdoelgroep is een goede eerste stap. Om de goede theoretische begrippen te kunnen bepalen is het vaak nodig om wat oriënterend literatuuronderzoek te doen. Als je een hoofdvraag hebt gemaakt is het belangrijk om te kijken of je deze ook goed kan beantwoorden. Het type vraag dat je stelt kan ervoor zorgen dat een hoofdvraag gemakkelijker te beantwoorden is. Het maken van een hoofdvraag kost dus wel wat tijd en moeite, maar is geen onmogelijke opgave.

Theoretisch kader 1. Introductie

Introductie theoretisch kader

“Het hangt als los zand aan elkaar”

“Het aantal wetenschappelijke bronnen is minimaal”

“Het ontbreekt aan diepgang en structuur”

 

Je kunt dit soort keiharde en vage kritiek krijgen als hbo-student op je theoretisch kader.

Is die kritiek eigenlijk wel terecht? Wij zien veel studenten worstelen met dit hoofdstuk. En dat is bijna altijd omdat vanuit de opleiding niet duidelijk uitgelegd is wat er van jou als student verwacht wordt.

In de blogs over het theoretisch kader gaan we in op de vraag: hoe moet het theoretisch kader eruitzien? Of met andere woorden: wat is het kader van het theoretisch kader? We beantwoorden drie vragen:

  1. Uit hoeveel pagina’s bestaat het theoretisch kader en hoeveel bronnen heb ik nodig?
  2. Met welke kwaliteitscriteria moet ik rekening houden bij de selectie van bronnen?
  3. Hoe ziet de structuur van een theoretisch kader eruit?

Door een literatuurmatrix te gebruiken kun je op een overzichtelijke manier zorgen voor een stevig theoretisch kader. Meer daarover lees je in de blog over de literatuurmatrix.

Theoretisch kader 2. aantal bronnen

Hoeveel pagina’s en hoeveel bronnen heb ik nodig voor het theoretisch kader?

 

Rekensom 1: het aantal pagina’s

Stel dat je een gemiddelde scriptie schrijft van 35 pagina’s. De samenvatting, het voorwoord en de bijlages niet meegerekend.

 

Hoofdstuk Aantal pagina’s
Inleiding 5
Theoretisch kader 10
Onderzoeksmethoden 4
Resultaten 10
Conclusies en Aanbevelingen 4
Discussie 2
Totaal 35

Als bovenstaande tabel klopt, dan betekent dat je theoretisch kader ongeveer tien pagina’s tekst in beslag neemt. Misschien vallen sommige hoofdstukken wat langer of korter uit. Het helpt om als richtlijn acht tot twaalf pagina’s voor je theoretisch kader aan te houden. Met veel theoretische begrippen in je hoofd- en deelvragen zit je eerder op de twaalf pagina’s. Is je onderzoek qua theorie wat eenvoudiger dan bestaat het theoretisch kader vaak uit wat minder pagina’s.

 

Rekensom 2: het aantal bronnen

De meeste literatuurverwijzingen die je in de literatuurlijst opneemt, komen uit je theoretisch kader. Maar er zijn natuurlijk ook bronnen waar je in andere hoofdstukken naar verwijst. Denk bijvoorbeeld aan het jaarverslag dat je gebruikt om de organisatie waarvoor je het onderzoek doet te beschrijven. Of nieuwsberichten die je aanhaalt als je de aanleiding van het onderzoek toelicht. Of verwijs je naar een boek over onderzoeksmethoden als je het soort steekproef beschrijft.

 

Maar welke bronnen heb je in je theoretisch kader nodig?

 

  1. Heel belangrijk zijn de onderzoeken die in veel opzichten lijken op jouw onderzoek. Dat zijn onderzoeken die:
  • over dezelfde theoretisch begrippen gaan
  • een vergelijkbare onderzoeksdoelgroep hebben
  • wetenschappelijk zijn
  • concrete resultaten beschrijven
  • actueel zijn

Naar dat soort onderzoeken wil je graag en veel naar verwijzen.

  1. In het theoretisch kader vertel je daarnaast de lezer meer over de theoretische begrippen in jouw onderzoek. Je wilt die begrippen in het theoretisch kader definiëren / omschrijven en de verschillende aspecten waar die begrippen uit bestaan toelichten. 

Voorbeeld

Je doet een onderzoek naar sociale steun. Je wilt dan tot een zo goed mogelijk omschrijving of definitie van dat begrip komen. Het is natuurlijk niet de bedoeling dat je dat zelf verzint, dus gebruik je verschillende bronnen om tot een zo goed mogelijke definitie te komen.

De literatuur onderscheidt verschillende soorten sociale steun. Niet elke auteur noemt precies dezelfde soorten. Ook hier wil je door de vergelijking van een aantal bronnen aan de lezer laten zien wat jij in jouw onderzoek verstaat onder de verschillende soorten sociale steun.

 

  1. Daarnaast maak je in de scriptie gebruik van theorieën en / of modellen. Ook hier wil je graag een vergelijking maken tussen theorieën en tussen modellen, zodat je goed onderbouwd de beste en meeste geschikten voor jouw onderzoek kunt selecteren.

 

Voorbeeld

Er zijn verschillende theorieën over motivatie. Twee veelgebruikte theorieën zijn de zelfdeterminatietheorie van Deci & Ryan (1985) en de goal-settingtheorie van Locke en Latham (1990). Je wilt graag beide theorieën bespreken, zodat je een onderbouwde keuze kunt maken welke theorie centraal staat in jouw onderzoek. En of je misschien aspecten van die andere theorie ook meeneemt. Theorieën ontwikkelen zich. De oorspronkelijke zelfdeterminatietheorie is bijvoorbeeld door Deci en Ryan zelf aangepast. En andere onderzoekers hebben er net weer een andere invulling aan gegeven. De goal-setting theorie is gepubliceerd in 1990 nadat Locke en Latham al decennia bezig waren met het onderwerp motivatie en doelen stellen. Omdat theorieën en modellen in ontwikkeling zijn is het belangrijk om niet alleen naar de oorspronkelijke publicatie te kijken, maar ook naar recente wetenschappelijke literatuur.

Deze voorbeelden over sociale steun en motivatie maken duidelijk dat het belangrijk is om in het theoretisch kader bronnen met elkaar te vergelijken. Dat is ook precies de reden waarom je meer bronnen nodig hebt dan je misschien had gehoopt of verwacht.

Voorbeeld

Stel je doet onderzoek naar de relatie tussen leiderschapsstijl en innovatief werkgedrag. In je theoretisch kader wil je twee theorieën over leiderschapsstijl opnemen. En je wilt daarnaast twee modellen bespreken die factoren beschrijven die van invloed zijn op innovatief werkgedag. Hoeveel bronnen heb je dan in totaal nodig?

Aantal benodigde bronnen onderzoek naar leiderschapsstijl en innovatief werkgedrag

Type bron Benodigd aantal
 
Hoofdstuk 1 Inleiding
Twee bronnen met Informatie over de organisatie 2
Drie bronnen die een paar algemene ontwikkelingen m.b.t. je onderwerp in de aanleiding beschrijven (en twee tot vier uit wetenschappelijke literatuur die je ook in je theoretisch kader bespreekt) 3
 
Hoofdstuk 2 Theoretisch kader
Drie bronnen om leiderschapsstijl te definiëren 3
Vier bronnen die aspecten beschrijven van leiderschap 4
Twee bronnen om innovatief werkgedrag te omschrijven 2
Drie bronnen die innovatief werkgedrag in een aantal onderdelen onderverdelen 3
Twee tot drie bronnen die theorie A over leiderschapsstijl toelichten 2,5
Twee tot drie bronnen die theorie B over leiderschapsstijl toelichten 2,5
Twee tot drie bronnen die model A over innovatief werkgedrag bespreken 2,5
Twee tot drie bronnen die gaan over model B over innovatief werkgedrag bespreken. 2,5
Tien onderzoeken die gaan over de relatie tussen leiderschapsstijl en innovatief werkgedrag 10
Hoofdstuk 3 Onderzoeksmethoden
Boeken over onderzoeksmethoden 2
Totaal theoretisch kader 30
Totaal scriptie 39

Zoals je in de tabel ziet kom je al snel uit om best flink wat bronnen. Terwijl je tijdens het schrijven van je theoretisch kader erachter komt dat er nog veel meer theorieën over leiderschap zijn ontwikkeld die je niet bespreekt. En dat er ook nog eens veel meer dan tien recente wetenschappelijke onderzoeken gaan over de relatie tussen leiderschapsstijl en innovatief werkgedrag.

Daarom is het ook een theoretisch kader. Er wordt niet van je verwacht dat je alle belangrijke publicaties over jouw onderwerp in je onderzoek verwerkt. Wat wel van je verwacht wordt is dat de bronnen van goede kwaliteit zijn. Lees meer daarover in de blog over kwaliteitscriteria.

Theoretisch kader 3. kwaliteitscriteria

Kwaliteitscriteria

Bij het selecteren van bronnen voor je theoretisch kader let je op drie verschillende zaken:

  1. Is het (gebaseerd op) wetenschappelijk onderzoek
  2. Relevantie
  3. Actualiteit

Gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek

In onderzoeksland willen wetenschappers dat hun onderzoek in de allerbeste wetenschappelijke tijdschriften wordt gepubliceerd. Er zijn allerlei ranglijsten over wat nu de beste journals (een andere naam voor wetenschappelijke tijdschriften) zijn.

Hogescholen hebben ook zo’n soort ranglijst, maar dan van soorten bronnen. Elke opleiding heeft wel regels of adviezen over welke bronnen wel en niet mogen. Voor een scriptie is het eigenlijk vrij simpel.

Gebruik je artikelen uit wetenschappelijke tijdschriften is dat eigenlijk altijd goed. Je hoeft je als hbo-student niet druk te maken over hoe goed dat tijdschrift aangeschreven staat. Studeer je aan de universiteit dan is het soms een eis dat artikelen peer reviewed zijn.

Ook wetenschappelijke boeken kun je gebruiken. Het voordeel van een boek is dat daar vaak wat uitgebreider informatie wordt gegeven over jouw onderwerp. Het is makkelijker leesbaar dan een wetenschappelijk artikel. Het gebruik van dit soort boeken heeft ook nadelen. Het is bijvoorbeeld soms moeilijker om aan dit soort boeken te komen dan aan artikelen die allemaal online staan en waar je -soms met wat moeite- gewoon toegang toe kunt krijgen. Ook staat er vaak veel informatie in die voor jouw onderzoek niet zo belangrijk is. Andere boeken zijn populair wetenschappelijk. Dat betekent dat er wel gebruikgemaakt wordt van wetenschappelijk onderzoek. Maar dat er ook vaak dingen in beweerd wordt die helemaal niet zijn onderzocht.

In Nederland veel onderzoek gedaan door organisaties, bijvoorbeeld het Sociaal en Cultureel Planbureau of Movisie. Dit onderzoek voldoet niet altijd aan alle wetenschappelijke regels, maar het is wel uitgevoerd door ervaren en onafhankelijke onderzoekers. Soms is het niet zo duidelijk of het om onafhankelijk, objectief onderzoek gaat. Let daarom goed op het doel van de organisatie.

Voorbeeld

De Vereniging Mindfulness Based Trainers verwijst  op de website (https://www.vmbn.nl/wat-is-mindfulness/onderzoek/) naar onderzoeken over mindfulness. Je kunt je dan afvragen of zij ook echt naar wetenschappelijke onderzoeken verwijzen. Dat doet deze vereniging. Maar dan kun je nog steeds afvragen of zij bij de selectie van artikelen misschien alleen artikelen hebben uitgekozen die laten zien dat mindfulness allerlei positieve effecten heeft.

Voor het theoretisch kader van je scriptie gebruik je dus wetenschappelijke artikelen, wetenschappelijke boeken en onafhankelijk onderzoek van organisaties. Alle andere soorten bronnen gebruik je niet. Denk bijvoorbeeld aan:

  • Websites waarop verschillende marketingmodellen worden beschreven.
  • Scripties van andere studenten. Scripties zijn natuurlijk wel een goede inspiratiebron als je op zoek bent naar literatuur. De bronnen die een andere student heeft gevonden moet jij ook kunnen vinden.

Tip: Twijfel je over de kwaliteit, maar wil je een bron toch opnemen? Beschrijf dan in het theoretisch kader niet alleen de onderzoeksresultaten van die publicatie, maar sta ook stil bij de tekortkomingen van dat onderzoek. 

Relevantie

Je kunt natuurlijk nog zulke wetenschappelijke artikelen noemen in je theoretisch kader, maar daar heb je niets aan als je die niet over jouw onderzoek gaan. Het komt best vaak voor dat de onderzoeken die aansluiten op jouw onderzoek wat minder wetenschappelijk zijn. En dat de wetenschappelijke bronnen die je wel hebt, wat minder goed aansluiten op jouw onderzoek.

Voorbeeld 1 Pesten

Je doet onderzoek naar een interventie tegen pesten. Hoewel die interventie wel in de Databank Effectieve jeugdinterventies van het Nederland Jeugdinstituut is opgenomen, blijkt er maar weinig goed onderzoek te zijn gedaan naar jouw interventie. Omdat de onderzoeken die er zijn gedaan wel heel erg aansluiten op jouw onderzoek, gebruik je die toch in je theoretisch kader. Daarnaast zoek je naar wat meer wetenschappelijke artikelen over andere vergelijkbare antipestprogramma’s.

Voorbeeld 2 Zelfbeeld en Instagram

Je doet onderzoek naar het zelfbeeld van ouderen en het gebruik van Instagram. Je komt er tot je schrik achter dat daar nog nooit onderzoek naar is gedaan. Onderzoeken over ouderen en social media gaan bijna altijd over hoe vaak zij het gebruiken en waarom. Wel is er onderzoek gedaan naar tieners en Instagram. Die onderzoeken gingen alleen niet over het zelfbeeld, maar over eigenwaarde.

De voorbeelden maken duidelijk dat je de kwaliteitscriteria soms wat moet verruimen om aan te sluiten op jouw onderwerp. Je kiest dan een aantal onderzoeken:

  • van mindere kwaliteit
  • onder een wat andere doelgroep
  • naar een iets ander theoretisch begrip (eigenwaarde in plaats van zelfbeeld)
  • die iets algemener zijn dan jouw specifieke onderwerp (social media in plaats van Instagram)

De voorbeelden laten ook zien dat het vinden van de juiste literatuur niet altijd eenvoudig is.

Tip: Veel problemen met je theoretisch kader kun je voorkomen door al bij het kiezen van je onderwerp en het maken van je hoofd- en deelvragen te checken of er voldoende geschikte literatuur is.

Actualiteit

Oude literatuur kan achterhaald zijn, daarom mag je geen bronnen ouder dan vijf jaar gebruiken. Dit is een manier waarop sommige opleidingen het zichzelf wel heel makkelijk maken. Alles wat nieuw is, is goed. Alles wat ouder is dan een bepaald jaar is slecht.

De werkelijkheid is natuurlijk heel anders. Er zijn heel veel onderwerpen die al twintig jaar met ongeveer dezelfde theorieën worden onderzocht, omdat er gewoon nog geen betere zijn ontwikkeld. Daarbij is de druk op wetenschappers om veel te publiceren enorm toegenomen. Je kan ook voorstellen dat daardoor de onderzoeken van nu misschien soms minder uitgebreid, diepgaand en vernieuwend zijn dan die van tien of twintig jaar geleden.

Studeer je aan zo’n opleiding die dol is op recente literatuur? Dan is het slim om bij het zoeken naar geschikte literatuur je eerst te oriënteren op recente publicaties. En als je er daar dan een aantal van hebt, op zoek te gaan naar de beste en meest invloedrijke publicaties over jouw onderwerp.

Theoretisch kader 4. Structuur

Hoe ziet de structuur van het theoretisch kader eruit?

  1. Leeswijzer

Het vervelende van een theoretisch kader is dat het op verschillende manieren gestructureerd kan worden. Dat maakt het voor een beoordelaar ook weleens lastig om de structuur die jij kiest in een keer te snappen. Daarom helpt het als je het hoofdstuk start met een korte beschrijving van wat er in welke paragraaf aan de orde komt. Leg in die leeswijzer ook de relatie met je deelvragen. Geef aan in welke paragraaf je welke deelvraag beantwoordt. Je kunt een paragraaf opnemen die niet (direct) een deelvraag beantwoordt, maar wel belangrijk is voor je onderzoek. In dat geval is het belangrijk om de functie van die paragraaf te benoemen. Wat draagt die paragraaf bij aan het beantwoorden van je hoofdvraag?

  1. Van begrippen naar theorieën en modellen

In het inleidende hoofdstuk heb je al kort de theoretische begrippen in jouw onderzoek gedefinieerd. Dit helpt de lezer om na te gaan waar je onderzoeksvragen precies over gaan. In je theoretisch kader werk je deze begrippen verder uit.

Ontstaan van een theoretisch begrip

Soms is een begrip recent ontstaan of van wordt er een andere betekenis aan gegeven. In dat geval vertel je kort wat over de ontwikkeling (van de invulling) van het begrip.

Definitie van een theoretisch begrip

Maak de lezer duidelijk welke definitie in je onderzoek centraal staat. Dat kan kort: dit is de meest gebruikte definitie, die wordt in dit onderzoek ook gebruikt. Het kan ook dat je een aantal definities bespreekt en er daar een van kiest, of dat je zelf een definitie samenstelt uit meerdere definities.

Aspecten van een theoretisch begrip

Wetenschappers houden niet alleen van neuzelen over definities. Zij houden ook van uitsplitsen, onderverdelen, categoriseren etc. Dat betekent dat vrijwel altijd er door auteurs verschillende aspecten van een theoretisch begrip worden genoemd. Die aspecten gebruik je vaak als je zelf je onderzoek gaat doen, dus is het belangrijk om daar aandacht aan te besteden. Wanneer je aspecten van een theoretisch begrip hebt besproken, zul je merken dat je hiermee soms eigenlijk al theorieën en modellen aan het bespreken bent. Soms is het dan handig om na de definitie direct aan de hand van de theorie verschillende aspecten te bespreken.

Theorieën en modellen

Je wilt de lezer ervan overtuigen dat jij voor je onderzoek de meest geschikte theorieën en modellen gebruikt. Als je geluk hebt kun je die keuze onderbouwen op basis van bronnen. Je vindt bijvoorbeeld een bron die aangeeft dat een bepaalde theorie nog steeds veel gebruikt wordt. Of dat een nieuwe versie van een model beter rekening houdt met aspecten die in het oude model niet stonden. Heb je dat geluk niet, dan zul je zelf moeten toelichten waarom je voor bepaalde theorieën en modellen kiest.

  1. Relaties tussen begrippen

Veel scriptieonderzoeken gaan over de relatie tussen bepaalde begrippen. Bijvoorbeeld over het verband tussen levensstijl en levensverwachting bij hartpatiënten. In je theoretisch kader wil je de lezer graag laten zien wat er vanuit de literatuur bekend is over de relatie tussen de begrippen uit jouw onderzoek.

  1. Een specifieke (deel)vraag

Het kan voorkomen dat je in je theoretisch kader een bepaalde specifieke vraag wilt beantwoorden. Het is bijvoorbeeld voor jouw opleiding belangrijk dat je uitgebreid  ingaat op de wetgeving en het overheidsbeleid. De deelvraag die je daarover hebt opgesteld moet je volgens je begeleider beantwoorden in het theoretisch kader.

Het kan ook zijn dat bij jouw opleiding de nadruk ligt op verbeteren. Het onderzoek is eigenlijk bijzaak. Er moet vooral een groot adviesrapport worden geschreven over de optimalisatie van bedrijfsprocessen op het gebied van HR. Daarom besluit je een aparte paragraaf op te nemen waarin je de deelvraag beantwoordt die gaat over het verbeteren van die processen in organisaties. 

Tips

Maak voordat je je theoretisch kader gaat schrijven een schema waarin je duidelijk maakt wat je waar wilt behandelen.

Ook bij het theoretisch kader geldt de 80/20-regel. Tachtig procent van de informatie komt uit twintig procent van je bronnen. Start dus met het verwerken van de 5 of 6 meest relevante bronnen.