Resultaten

Je bent nu hier:

Het resultatenhoofdstuk van een scriptie                                                                                      

Voordat je begint aan je resultatenhoofdstuk, is het belangrijk om stil te staan bij de gegevens die je verzameld hebt. Als het goed is heb je in het methodenhoofdstuk een beschrijving gegeven van de manier waarop je een antwoord op je deelvragen wilt gaan geven. In principe kan dat uiteen vallen in twee soorten gegevens, namelijk kwalitatieve en kwantitatieve gegevens. Kwalitatieve informatie heb je bijvoorbeeld verzameld in je literatuuronderzoek, interviews of open observaties. Kwantitatieve gegevens heb je verzameld door middel van vragenlijstonderzoek, een digitale enquête of observaties waarbij de antwoordcategorieën al van tevoren vastliggen.

De bedoeling van het resultatenhoofdstuk is om weer te geven welkeantwoorden je in het praktijkonderzoek op je vragen hebt gekregen. Het gaathier niet om informatie die je al in het literatuurhoofdstuk hebt weergegeven, maar wel om de andere kwalitatieve en kwantitatieve gegevens. Ook is het nog niet de bedoeling om al conclusies te trekken en een antwoord te geven op je onderzoeksvragen, maar wel om weer te geven wat de resultaten van jouw zoektocht zijn. Die resultaten moeten per deelvraag beschreven worden. Het verband tussen bijvoorbeeld de resultaten uit het literatuuronderzoek en het praktijkonderzoek dient pas in de conclusie of discussie aan de orde te komen.

Bij het beschrijven van je resultaten is het belangrijk om een onderscheid te maken tussen hoofd- en bijzaken. Probeer dus niet alle antwoorden van alle respondenten in dit hoofdstuk een plaats te geven, maar beperk je tot de belangrijkste gegevens die een antwoord gaan geven op jouw deelvragen. Als je toch graag alle gegevens die je verzameld hebt op wilt nemen, doe dat dan in de bijlagen, maar beperk je in het resultatenhoofdstuk tot de essentie van waar jouw scriptieonderzoek over gaat. Zo lang je maar onthoudt dat alle gegevens van respondenten geanonimiseerd moeten worden, is er bijvoorbeeld niets mis mee om uitgeschreven interviews op te nemen in de bijlagen. Voor de hoofdtekst van het resultatenhoofdstuk kun je dan uit die interviews af en toe een citaat opnemen ter illustratie. De topics van je interviews of de belangrijkste codes kun je gebruiken om de resultaten van een kwalitatief onderzoek te structureren. In deze blog zoomen wij in op het schrijven van een resultatenhoofdstuk als je een kwantitatief onderzoek hebt gedaan.

Kwantitatieve data

Hoe kun je je resultaten in dit hoofdstuk nu het beste opschrijven? Stel, je hebt een digitale enquête uitgezet onder honderd respondenten met behulp van Survey Monkey, die je ze hebt toegestuurd met een link via een e-mail bericht. In je methodenhoofdstuk heb je al aangegeven wat je respons was, bijvoorbeeld n = 70. Je enquête gaat antwoord geven op drie verschillende deelvragen. Begin met de deelvraag nog even te herhalen. Omdat je per deelvraag je resultaten moet beschrijven, zou je de vragen uit jouw enquête die onder de eerste deelvraag vallen, bij elkaar in een tabel kunnen zetten in de eerste kolom. Nu hangt het ervan af welke antwoordcategorieën jouw vragen hebben voor de volgende stap.

Likertschaal

Heb je vragen gesteld die beantwoord zijn met een vijfpunts-Likertschaal (bijv. 1 = helemaal mee oneens, 2 = mee oneens, 3 = niet mee eens, niet mee oneens, 4 = mee eens, 5 = helemaal mee eens)? Dan kun je in de volgende kolommen van je tabel het beste gemiddelden en standaarddeviaties presenteren, per vraag. Je kunt dit uitrekenen in programma’s als Excel en SPSS. Daarvoor heb je wel genoeg respondenten nodig, maar in principe is een groep van 30 respondenten groot genoeg om je gegevens op deze manier te presenteren.

Meerdere antwoordopties

Als je vragen hebt gesteld waarbij je respondenten kunnen kiezen uit meerdere antwoordmogelijkheden, dan moet je die op een andere manier weergeven. Je gaat dan namelijk aangeven hoeveel van jouw respondenten welk antwoord hebben gegeven, en dat doe je met behulp van een aantal met tussen haakjes erachter het percentage van jouw totale groep dat dat antwoord heeft gegeven.

Verschillen tussen groepen/ condities

Gaat jouw onderzoeksvraag over het verschil tussen twee groepen, dan komt er nog een kolom bij in je tabel. Stel dat je wilt weten of er een verschil is tussen mannen en vrouwen op een bepaalde vraag die je met gemiddelden uitgerekend hebt, dan kun je daarvoor een t-toets gebruiken. In de laatste kolom zet je dan de t-waarde met tussen haakjes de vrijheidsgraden erachter (df), en geef je aan met sterretjes of die t-toets significant was. De betekenis van die sterretjes moet in een voetnoot onder de tabel vermeld worden: *p<.05;**p<.01;***p<.001.

Kruistabellen

Bij een vraag met meerdere antwoordcategorieën kun je een verschil tussen groepen uitrekenen met een kruistabel. Dus als je wilt weten of er een verschil is tussen vrouwen en mannen in wel of geen betaald werk hebben, dan gebruik je een kruistabel en doe je daarvan verslag met een Chi-kwadraat toets. Ook daarvan zet je de waarde in je laatste kolom, met de vrijheidsgraden (df) en het significantieniveau (p).

Hoe zit een tabel eruit/ format tabel?

Je tabel moet in ieder geval een nummer hebben, en een titel waaruit blijkt wat erin opgenomen is. Ook de kolommen moeten van een duidelijke naam voorzien worden, zoals gemiddelde of M, standaarddeviatie of SD, frequentie of n, percentage of %, t(df) of χ2(df), etc. Verder moeten alle afkortingen en symbolen die je hebt gebruikt, zoals de p-waarden, onder de tabel vermeld worden.

Behalve in een tabel, kun je je resultaten natuurlijk ook in een grafiek weergeven. Afbeeldingen zoals taart- of staafdiagrammen kunnen vaak heel inzichtelijk zijn. Wat je echter niet moet doen is allebei, dus alle gegevens in een tabel en dan ook nog eens een staafdiagram bijvoorbeeld, want dat heeft geen meerwaarde. Kies dus wat voor jou de beste manier is en vermeld zo nodig de overige gegevens in een bijlage.

Een ander punt van aandacht is dat je niet in de tekst alle getallen moet gaan opnoemen die ook al in je tabel of grafiek staan. Licht de meest opmerkelijke eruit en zeg alleen daar wat over in de tekst. Vind je bij voorbeeld een behoorlijk hoge standaarddeviatie bij een vraag? Waar zou het door kunnen komen, dat deze groep kennelijk zo uiteenlopend reageert op deze vraag? Of: waarom wijkt dit gemiddelde zo af van de andere vragen die onder dezelfde deelvraag vallen? Hebben de respondenten de vraag misschien verkeerd opgevat? Signaleer deze opmerkelijke resultaten, maar trek nog geen conclusies, die komen in het volgende hoofdstuk aan de orde.