Theoretisch kader 4. Structuur

Je bent nu hier:

Hoe ziet de structuur van het theoretisch kader eruit?

  1. Leeswijzer

Het vervelende van een theoretisch kader is dat het op verschillende manieren gestructureerd kan worden. Dat maakt het voor een beoordelaar ook weleens lastig om de structuur die jij kiest in een keer te snappen. Daarom helpt het als je het hoofdstuk start met een korte beschrijving van wat er in welke paragraaf aan de orde komt. Leg in die leeswijzer ook de relatie met je deelvragen. Geef aan in welke paragraaf je welke deelvraag beantwoordt. Je kunt een paragraaf opnemen die niet (direct) een deelvraag beantwoordt, maar wel belangrijk is voor je onderzoek. In dat geval is het belangrijk om de functie van die paragraaf te benoemen. Wat draagt die paragraaf bij aan het beantwoorden van je hoofdvraag?

  1. Van begrippen naar theorieën en modellen

In het inleidende hoofdstuk heb je al kort de theoretische begrippen in jouw onderzoek gedefinieerd. Dit helpt de lezer om na te gaan waar je onderzoeksvragen precies over gaan. In je theoretisch kader werk je deze begrippen verder uit.

Ontstaan van een theoretisch begrip

Soms is een begrip recent ontstaan of van wordt er een andere betekenis aan gegeven. In dat geval vertel je kort wat over de ontwikkeling (van de invulling) van het begrip.

Definitie van een theoretisch begrip

Maak de lezer duidelijk welke definitie in je onderzoek centraal staat. Dat kan kort: dit is de meest gebruikte definitie, die wordt in dit onderzoek ook gebruikt. Het kan ook dat je een aantal definities bespreekt en er daar een van kiest, of dat je zelf een definitie samenstelt uit meerdere definities.

Aspecten van een theoretisch begrip

Wetenschappers houden niet alleen van neuzelen over definities. Zij houden ook van uitsplitsen, onderverdelen, categoriseren etc. Dat betekent dat vrijwel altijd er door auteurs verschillende aspecten van een theoretisch begrip worden genoemd. Die aspecten gebruik je vaak als je zelf je onderzoek gaat doen, dus is het belangrijk om daar aandacht aan te besteden. Wanneer je aspecten van een theoretisch begrip hebt besproken, zul je merken dat je hiermee soms eigenlijk al theorieën en modellen aan het bespreken bent. Soms is het dan handig om na de definitie direct aan de hand van de theorie verschillende aspecten te bespreken.

Theorieën en modellen

Je wilt de lezer ervan overtuigen dat jij voor je onderzoek de meest geschikte theorieën en modellen gebruikt. Als je geluk hebt kun je die keuze onderbouwen op basis van bronnen. Je vindt bijvoorbeeld een bron die aangeeft dat een bepaalde theorie nog steeds veel gebruikt wordt. Of dat een nieuwe versie van een model beter rekening houdt met aspecten die in het oude model niet stonden. Heb je dat geluk niet, dan zul je zelf moeten toelichten waarom je voor bepaalde theorieën en modellen kiest.

  1. Relaties tussen begrippen

Veel scriptieonderzoeken gaan over de relatie tussen bepaalde begrippen. Bijvoorbeeld over het verband tussen levensstijl en levensverwachting bij hartpatiënten. In je theoretisch kader wil je de lezer graag laten zien wat er vanuit de literatuur bekend is over de relatie tussen de begrippen uit jouw onderzoek.

  1. Een specifieke (deel)vraag

Het kan voorkomen dat je in je theoretisch kader een bepaalde specifieke vraag wilt beantwoorden. Het is bijvoorbeeld voor jouw opleiding belangrijk dat je uitgebreid  ingaat op de wetgeving en het overheidsbeleid. De deelvraag die je daarover hebt opgesteld moet je volgens je begeleider beantwoorden in het theoretisch kader.

Het kan ook zijn dat bij jouw opleiding de nadruk ligt op verbeteren. Het onderzoek is eigenlijk bijzaak. Er moet vooral een groot adviesrapport worden geschreven over de optimalisatie van bedrijfsprocessen op het gebied van HR. Daarom besluit je een aparte paragraaf op te nemen waarin je de deelvraag beantwoordt die gaat over het verbeteren van die processen in organisaties. 

Tips

Maak voordat je je theoretisch kader gaat schrijven een schema waarin je duidelijk maakt wat je waar wilt behandelen.

Ook bij het theoretisch kader geldt de 80/20-regel. Tachtig procent van de informatie komt uit twintig procent van je bronnen. Start dus met het verwerken van de 5 of 6 meest relevante bronnen.