Voorwoord

Je bent nu hier:

Hoe schrijf je een voorwoord?

Net als de samenvatting is het voorwoord een soort visitekaartje van de scriptie.

Het voorwoord heeft twee doelen:

  1. Interesse wekken door de lezer wat te vertellen over waarom jij dit onderzoek hebt gedaan.
  2. Degene die hebben meegewerkt aan je onderzoek bedanken.

Don’ts voor een voorwoord

  • Een lang verhaal schrijven over hoe vreselijk moeilijk je je scriptie vond. De beoordelaar gaat dan de scriptie lezen met het idee: dat zal wel niet zo’n goede scriptie zijn. Ook naar je (toekomstige) werkgever maakt dit geen goede indruk.
  • Klagen over hoe slecht je bent begeleid tijdens de scriptie. Het is natuurlijk heel vervelend als dit is gebeurd. Maar aan de andere kant steken veel scriptiebegeleiders en beoordelaars extra tijd in jou als student als het scriptietraject om wat voor reden dan ook niet goed verloopt. Niet leuk voor hen om dan nog een keer terug te lezen hoe jij van ze baalt.

Opbouw van een voorwoord

  1. Je maakt in een of twee zinnen duidelijk waar jouw onderzoek over gaat. Je hoeft hier niet de doestelling en de hoofdvraag helemaal uit te schrijven en je onderzoeksresultaten te bespreken. Probeer kort en krachtig (twee zinnen) te beschrijven wat jij hebt onderzocht.
  2. Vertel iets meer over waarom jij dit onderzoek wilde doen. Je kunt je bijvoorbeeld erg betrokken voelen bij de cliënten waar het onderzoek over gaat. Of je vindt het onderwerp erg interessant. Misschien heb je wel ambitie om na je studie verder te gaan met het onderwerp in je baan of je eigen bedrijf.
  3. Bedankt degene die mee hebben gewerkt aan het onderzoek. Bedank in ieder geval de opdrachtgever van je onderzoek, de respondenten en de begeleider(s) van de opleiding. Soms wil je ook nog iemand uit je familie- of vriendenkring bedanken. Dat is zeker niet verplicht. Als dat voor jou overdreven voelt doe het dan niet. Heeft je partner een paar maandenlang veel meer voor de kinderen gezorgd omdat jij je scriptie wilde schrijven? Dan is een bedankje natuurlijk wel op zijn plaats.
  4. Sluit af met je voor- en achternaam en op een nieuwe regel de plaats en de datum.